Tegen landen, streken en hun bewoners

Zeeland – Den Haag: 1 – 1

Deltaplan

Waarom, o Heer, heeft U niet ingegrepen?
Want zelden zag ik zo’n rampzalig plan.
Het land liep onder water? Jammer dan!
Veel liever dan de Zeeuwen zie ik schepen.

De vrekken die met Bløf en bolus dwepen,
die zielen uit de saaiste streekroman,
ik gun ze wel een lot als kikvorsman,
dus laat Uw toorn het Scheldewater zwepen.

Een springvloed en de krachtigste orkaan,
zij kunnen duin en stormvloedkering wissen.
U bent toch ook de schepper van de vissen?
Het mooiste zeeland is een oceaan.

Daan de Ligt

Antwoord uit Zeeland

Ik kreeg nog liever zweren in mijn maag,
liet mij door de belastingdienst bestelen
of miste allerhande lichaamsdelen,
dan ooit te moeten wonen in Den Haag.

Ik schoor mij liever met een kettingzaag
of liet me pijnlijk door Al Qaida kelen,
stond liever diep in ‘t krijt bij criminelen,
dan ooit te moeten wonen in Den Haag.

Veel liever zou ik nimmer drank meer velen
of in mijn aars hemorroïden telen,
had ik een druiper of een Spaanse kraag.

Ik hoor nog liever André Hazes kwelen,
Van Vollenhoven vals pianospelen,
dan ooit te moeten wonen in Den Haag.

Aaike Jordans

Tegen een bepaald slag mensen

Voetbal-hymne

O Spel, dat hoofd en hart der knapen vult,
Die dagelijks ’t gedaas der krant verslinden,
In hartstocht, die geen smaak voor ’t hoog’re duldt,
Dat mensen beesten maakt, en zienden blinden –

Hoort, hoe het plebs uit rauwe kelen brult,
Terwijl het aan ’t afzichtlijk schouwspel smult,
Als daar een horde woestaards en ontzinden
In ’t schunnig schopwerk vuile vreugde vinden…

Ziet, hoe des lichaams schoonste lijn zich kronkelt,
De pees zich opbolt als een boos gezwel,
Wijl ’t oog van een onheil’gen vuurgloed fonkelt…

Ja, duizendwerf vervloekt zij ’t voetbalspel,
Waarbij bedrogen wordt, gewed, gekonkeld…
Voort! vuige voetbalbende – vaar ter hel!

Charivarius (1870-1946)

Toelichting: met dank aan Laurens Jz. Coster

Tegen klein leed

Balkenbrij

Een culinair gedrocht, waarvan alleen de naam al stinkt
naar ingewanden, zweet en varkensoren.
Die grauwe misslag, die precies zo smaakt zoals hij klinkt,
laat zien hoezeer de kookkunst kon ontsporen.

De laffe brij (het braaksel van een ernstig zieke kat?)
wordt in wat lauwe olie opgewarmd.
Het resultaat: een platte kleffe grijzig bruine wrat,
die echter door mijn oma werd omarmd.

Zij gaf mij, toen ik klein was, ooit een bord met balkenbrij,
dwong mij om die kadaverprak te eten.
Het staat mij nu, na meer dan veertig jaar, nog altijd bij,
een trauma dat ik nimmer kan vergeten.

Ik heb geprotesteerd, gehuild, maar oma’s wil was wet,
‘k was reddeloos, hóe ik ook had gesparteld.
Met lijkvocht, rottend slachtafval en zoutloos, ranzig vet
werden mijn smaakpapillen wreed gemarteld.

Dus oma, u begrijpt dat ik op Allerzielendag
uw grafsteen niet met bloemen kom verfraaien.
Hier heeft u een boeketje balkenbrij, het stinkt, maar ach,
zo oogst u toch nog wat u wilde zaaien.

Aaike Jordans

Tegen landen, streken en hun bewoners

Rondeel voor (en over) Amsterdammers

Het schijnt er maar niet door te willen dringen
De zeventiende eeuw is echt voorbij
De glorie en grandeur van toen vergingen
Een pijnlijke en lange valpartij

Het zijn nog slechts provinciestedelingen
Maar zonder een kalender volgens mij
Een dorp als Meppel lijkt nog meer te swingen
De zeventiende eeuw is echt voorbij

Wie laat ze eens een toontje lager zingen ?
Hun zelfbevlekking en hun spotternij
Zijn stuitend en van alle schaamte vrij
Het wil er maar niet ingaan in die kringen;
De zeventiende eeuw is echt voorbij

Frank Fabian van Keeren 

Tegen poëzie en de literaire wereld

Het vastbinden van de dichteres aan een stoel

In een statig gebouw aan de singel
zit een geheime kamer.
De kamer is zo geheim dat alleen ik de sleutel heb.

Aan tafel zit een dichteres. Het is de dichteres die
gedichten schrijft over haar navel,
waarin altijd wel een zee aanspoelt. De afstand
tot de ander meetbaar is en ook weer niet.
Op zondag wil ze mosgroen voor me zingen.

Haar handen zitten op haar rug, haar lippen
heb ik afgeplakt. Voor haar ligt een vel papier
dat ze niet kan vullen.

Anne Broeksma

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Ontsluierd

woestijnkind werp je zwarte sluier af
vergeet de gesel van de jonge jaren
een bries beroert je vrijgevochten haren
er is geen god, er volgt geen zware straf

trek haastig al je warme kleren uit
en laat de zon de naakte huid beschijnen
de schaamte zal bij toverslag verdwijnen
je bent een vrije vrouw, geen slaafse bruid

je geest is los, je heupen staan in brand
de hoogste tijd het lichaam neer te vlijen
je vingers vinden zinderende dijen
je geeft de fantasie de vrije hand

bloei open in je nieuwe vaderland
het is geen zonde met de zon te vrijen

 Daan de Ligt

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Alarmisten

Och bevende alarmisten,
Och pruiken, podagristen,
Och ouwe–wijven–kliek,
Och nare leuterkousen,
Och bankroetiers en smousen,
Je malen maakt me ziek.

Je duffe conversatie
Is éne lamentatie,
En nergens zie je licht;
Je snatert en je stottert,
Je steunt en stikt en stottert….
’t Is wat een vies gezicht!

Gedaalde metallieken,
Failliete republieken,
D’ effectenhoek vol vrees;
De kooplui in perikel,
Heel de aard op een karikel,
De wereld op de sjees!

Het mensdom op zijn endje,
Veel kinderen en – geen centje
Verdiensten op ’t kantoor:
De hele boel in ’t honderd,
En half Euroop geplonderd –
Dat ’s alles wat ik hoor!

Wie naar je praat wil luisteren,
Die ziet de zon verduisteren,
Die weet niet, wat hij ziet,
En zou zijn mooiste zaken
Terstond aan kant gaan maken,
Of stuurt ze recht – in ’t riet!

Die zou zich dood gaan kniezen,
En al zijn geld verliezen
Uit zuinigheid alleen;
Die laat zijn kroost verhongeren,
En foetert op de jongeren,
Die spotten op hem heen!

Die ziet, owaai! de Fransen
Al in zijn keuken dansen,
De meid tot déjeuné;
Die ’s nergens op zijn aise,
Die hoort een Marseillaise
In ’t lied van Isabé!

Die ziet in al zijn zonen
Al tijger–aardjes wonen
En kleine Louis Blanc’s:
Die ’s bang voor Balinezen,
Die durft geen krant meer lezen,
Maar kijkt er rillend langs!

Met al die bange wezels,
Die kwezels en die ezels,
Wie drommel, weet er raad?
Al trekken zich die Joppen
De haren uit hun koppen,
Ik weet niet of het baat!

Maar handen uit de mouwen,
Couragie en vertrouwen
En wat gezond verstand!
De mens leeft om te hopen…
En ’t zal zo’n vaart niet lopen:
’t Leit immers op zijn kant?

Ook ik beken het gaarn:
Wat onze tijden baren
Is ver van amusant,
’t Is vreselijk en ’t is ijselijk,
’t Is schriklijk en afgrijselijk…
En ik heb ook het land!

Maar ’t ergst van alle plagen,
Zijn toch in onze dagen
Die kennissen van Job!
Het zijn je die meneren,
Die steeds jeremiëren,
Die altijd lamenteren,
Die ’t weinigs goeds negeren
En eeuwig redeneren
Als kippen zonder kop!

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

De Genestet was een protestantse (remonstrantse) dominee. Hij schreef dit hekeldicht tegen angstzaaiers in 1848, toen een revolutionaire wind door Europa waaide en overal achtergestelde burgers hun rechten opeisten en aandrongen op liberalisatie en inperking van de oude macht. In veel landen kwam het tot onlusten, ook in Nederland, maar hier minder dan bijvoorbeeld in Frankrijk. De Genestet hekelt de angsthazen, die bang zijn hun rijkdom en privileges te verliezen en angst aanwakkeren onder hun medeburgers. Hij schaart zichzelf overigens aan de kant van conservatieven, vindt de onrust ook maar niets, maar hij denkt dat het zo’n vaart niet zal lopen. In Nederland bleef het uiteindelijk rustig, want in reactie op de onlusten voerde Thorbecke een nieuwe grondwet in, waarin de macht van koning Willem II werd ingeperkt, de burgerrechten werden uitgebreid en de joden en katholieken, die achtergesteld waren gebleven, definitief werden gelijkgeschakeld aan protestanten. Opvallend genoeg hekelt De Genestet in zijn gedicht specifiek de angsthazen onder de katholieken (kwezels) en de joden (kennissen van Job).

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Op de jongste Hollandse transformatie

Gommer en Armijn te hoof
Dongen om het recht geloof

ieders ingebracht bescheid
In de weegschaal werd geleid

Doctor Gommer, arme knecht
Had het in ’t eerste slecht

Mits de schrandere Armijn
Tegen Bezam en Calvijn

Lei de rok van d’Advokaat
En de kussens van de Raad,

En het brein dat geenszins scheen
IJdel van gezonde re’en.

Brieven die vermelden plat
’t heilig-recht van elke stad.

Gommer zag vast hier-en-ginds
Tot zo lang mijnheer de Prins

Gommers zijde die boven hing,
Troostte met zijn stalen kling

Die zo zwaar was van gewicht,
Dat al ’t ander viel te licht.

Toen aanbad elk Gommers pop
En Armijn die kreeg de schop.

 Joost van den Vondel

Toelichting: dit spotgedicht beschrijft hoe een strijd in het Binnenhof tussen remonstranten (Armijn) en contraremonstranten (Gommers) door het zwaard van Prins Maurits in het voordeel van de contraremonstranten werd beslist, doordat Prins Maurits met geweld dreigde. Maurits wierp zijn zwaard in de schaal, zodat de balans doorsloeg naar het zwaard ipv de verstandige argumenten van Armijn. Vondel stond aan de kant van de Arminianen/remonstranten, protestanten met een vrijere interpretatie van de Bijbel die geloofden dat de mens met zijn vrije wil keuzes kan maken die bepalen of hij naar de hemel gaat of niet. De Gomaristen/contraremonstranten waren calvinisten met een nauwe interpretatie van de bijbel die geloofden in predestinatie: God heeft van te voren al bepaald wie wel of niet naar de hemel gaat en de mens kan daar geen redelijke inschatting over maken. Later werd Vondel overigens katholiek.

Tegen landen, streken en hun bewoners

Meldpunt

ze klitten in bedompte roversholen
en bezigen de liederlijkste taal
hun normbesef is nul of marginaal
ze dragen messen, erger zelfs … pistolen

ze slapen in de goten en riolen
ik noem hun trek naar hier catastrofaal
noem mij maar dom of rechts en radicaal
ik haat die lui als hondenpoep aan zolen

je ziet ze vaak in kroegen samenscholen
ze stelen en ze maken veel kabaal
zo’n meldpunt is voor burgers ideaal
door mij van ganser harte aanbevolen

ga maar terug, naar Walcheren of Tholen
die Zeeuwenoverlast is niet normaal

Daan de Ligt

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Geef mij een vliegtuig

Geef mij een vliegtuig of twee doorborend het
symbolisch hart van mijn geleaste vesting en ik
geef u camera’s, killer cops en een duim op
de fontanel van al uw kinderrijke dromen.

Neem de eenvoud van een lucifer, neem papier –
zeg een dollar of wat. Koolstof kan geen kwaad
en het brood dat u eet zal zoeter smaken dan
het zout in het zweet uws aanschijns.

Wie languit ligt op de chaise longue van de macht
vergaat van een honger die zich nooit meer met zog
laat stillen en cynisme werd het credo van de kunst.

Een stortvloed aan tranen holt ondertussen de steen uit.
Zolang de steen er nog is. En dan het hemelwater
vallend en vallend in een oeverloos meer.

Reinier de Rooie