Tegen poëzie en de literaire wereld

En durft gij mij

En durft gij mij van dichten spreken,
die nimmer zijt in staat
twee reken
te rijmen dat het gaat!

Het dichten is van God gegeven,
maar niet aan elk ende een
in ’t leven;
de kunste is niet gemeen.

Laat bloeien al die roos mag wezen,
spruit helder, zijt gij bron;
maar dezen
die ton zijn blijven ton!

De miere en zal geen peerd heur wensen,
de krieke geen radijs;
de mensen
alleen zijn niet zo wijs.

Zo, elk ende een het zijne! Soldaten
het buskruit, zo ’t behoort,
gelaten,
en Dichteren het woord!

Guido Gezelle

Tegen persoon X of Y

Toverpotje

Heil wachttoren van het noorden, hoeder van lucht,
spaar de spinragjes op haar heksenwratjes
daar.

Heil wachttoren van het oosten, hoeder van water,
laat haar snel wat even laf gesmaakte kruidenbetovertjes koken
dan hoe ze daar ruikt.

Heil wachttoren van het zuiden, hoeder van vuur,
bevuil haar heksenkruisje met niets anders dan tovenaarstafjenijd
daar.

Heil wachttoren van het westen, hoeder van aarde,
geef me uw macht om haar te vegen met haar nieuwe, ruwe bezem
daar.

Driewerf.

Benne van der Velde

Tegen persoon X of Y

Penibele vraag

Dat jij je armen en je borst
en je onderlijf laat epileren,
waarbij je ’t schaamhaar rond je pik
vrijwel volledig weg laat scheren,
dat komt omdat jij -’t is bekend-
je liefje daarmee wilt charmeren.
Maar Labiénus, heel concreet:
voor wie scheer je eigenlijk je reet?

Marcus Valerius Martialis

Uit: Martialis, Romeinse epigrammen, Querido, 1996,
vertaald en ingeleid door Frans van Dooren.

Origineel:
quod pectus, quod crura tibi, quod bracchia vellis,
quod cincta est brevibus mentula tonsa pilis,
hoc praestas, Labiene, tuae – quis nescit? – amicae.
cui praestas, culum quod, Labiene, pilas?

 

Tegen persoon X of Y

Aan de moordenaar van Filippo Raciti

In den beginne was er oorlog, daarna
kwam het voetbal, een abstractie, een spel,
gespeeld door dure afgevaardigden
We ontwikkelden ons tot casinopubliek

starend naar het balletje. Maar voor sommigen
is het stadion slechts stadium, hun arena
ligt buiten het veld, de omgekeerde wereld
voor hun omgekeerde koppen

zijn zij nou zo´n kuddedier
of ben ik nou zo´n dolle stier?
Moordenaar van Filippo Raciti

je begreep niks van voetbal, begreep niks
van het leven, en het leven niks van jou
trek je conclusie, rund

Hanz Mirck

Tegen alles en nog wat

Tegen de eenzame uitvaart

Ik geef je een geweldig vroeger
om zelf extra te kunnen bestaan.

Hoe lang voor ook de goedkope kist en het kraken
van het handjevol stoelen zullen zijn weggegrist?

Wie je kenden, zoenden en vervloekten,
zeg ze: koop mijn bundel.
Ik was zo met hun oude vriend begaan.

Maarten Das

Tegen dichter X

Valse noot

voor Daniël Dee

Eén februari tweeduizend zeven,
gepland als de start van de Valse Noot.
De druk op de vier redacteuren was groot:
een weekje te voren, dan zouden ze even

bijeenkomen, voor een soort eerste selectie
en afstemming over wat goed was en fout.
Want hekel- en schimpdichten is al een oud
en beproefd procédé, en dat vraagt om reflectie.

Om twee uur op zaterdag stonden ze klaar:
Benne en Oswald met pen en papieren,
De Roode met crackertjes, koekjes, en bieren,
het huis aan de kant; het moment was daar!

Maar hoe men ook plant, de waarheid is hard:
dichters zijn vals en vaak niet te vertrouwen
ze zuipen zich klem en doen Dingen met vrouwen;
dus de Valse Noot kreeg een valse start.

Want Dee dee nie mee! Hij was niet te bereiken,
liet niets van zich horen. Zelfs niet per mail.
Een kater, een druiper, een cel, een bordeel?
Zat hij met schulden, problemen of lijken?

Jij drankorgel, feestvierder, liet je Gods water
weer al te gul vloeien, al over Gods akker?
Stond er een naald in je arm, toen je wakker
werd zondag, of maandag, of dinsdag, nog later?

Jij dagdief, jij lijntrekker, leegloper, dwaallicht,
jij slampamper, straatslijper, boemelaar, losbol,
jij dichter, maleier, jij hosselaar, flapdrol,
jij drukker, je krijgt ‘m: ons allereerste schimpdicht.

Je collega’s

Door Alexis de Roode

Tegen alles en nog wat

Klein galgenmaal

Dit is geen toeval: langs het pad groeit rattenkruit en brood.
Je hinkelt me tegemoet. (Wat zijn je jukbeenderen groot!)
Dus kom schurkje, til ik je op. Mamapop, hup! Op mijn schouders.

Zul je voorzichtig zijn met je nageltjes? O, ronde kerfjes,
dat mag. En mijn bloed? Dat gaat groen als het gras, één
vloeiende kraag. Zit je goed? Speel met je klauwtjes in mij,

vul mijn oren met houten granaatjes. Kersenhout. Boem!
En het dooft. En je tutuutje van pijlijzerdraad, en de gifblaas
van goud om je hals, schommeldeschom, zing maar mee.

Zal ik mijn bekertje geven dan drinken we samen, wie ‘t eerste
schokt is ‘t doodst. Wil je niet? (Ze wil niet. Was ze soms bang?)
Dan laten we alles zo staan: de tafel, het kleed en het brood.

Liesbeth Lagemaat
(uit de bundel:’Een koorts van glas’, februari 2007, Wereldbibliotheek)