Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Handleiding voor de oplossing van het vluchtelingenprobleem

Te ondernemen stappen om
niet meer
hier te hoeven zijn

Voor een zorgeloze toekomst
in verband met
het ontbreken daarvan

Volg hier de stapsgewijze
aanwijzingen voor
de bevrijding van het lichaam

Helder uiteengezet
alhier de vragen
die onbeantwoord blijven:

Hoe lang nog en
waarheen dan en
wie is verantwoordelijk?

Mooier kunnen we het
niet maken
Onzichtbaarder wel

Men neme een
ruimte van niet meer dan
tien vierkante meter

Doe de deur op slot
Hou het raam dicht en
bewaak alle uitgangen

Overhandig verscheurbare lakens
Geef toegang tot
goed bevestigde douchekop

Verleen toegang tot
de angst en een stoel
De vreemdeling hangt zich zelf op

Nu zijn al diens problemen
opgelost en vooral ook:
Die van onze onuitvoerbaarheid

Joke Kaviaar, 16 juni 2015 
‘Geschreven n.a.v. zoveelste zelfmoord in een grensgevangenis – (DC Rotterdam)’

Toelichting: Joke Kaviaar is de enige dichter/schrijver die, zover wij weten, na WOII is veroordeeld omwille van haar teksten. Niet de hekeldichten, maar haar betogend proza.

Tegen dichter X

Lome zwingen

Soms heb ik last van drift en blinde haat,
bijvoorbeeld na het lezen van Jacques Perk.
Dat is geen poëzie maar Duivelswerk,
nefastisch en niet zuiver op de graat

Het is geen dichten, maar verdacht geblaat,
een duister vloeken in een lege kerk
Te kort voor mooi, te lang voor op een zerk,
een soort van Willem Kloos in het kwadraat.

Voor mij is al één regel lang genoeg,
zo zweverig, pedant en zo banaal.
Ik tracht zijn verzen steevast te verdringen.

Ik troost me met een biertje in de kroeg
en denk als ik de rekening betaal:
de lauwe wind zweeft aan op lome zwingen.

Peter Knipmeijer

Toelichting: Jacques Perk schreef de sonnettenkrans Mathilde, die de opmaat vormde voor de Beweging van Tachtig. Overleed in 1881 op 22-jarige leeftijd.

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Erdogan, Erdogan

Vandaag publiceerde De Volkskrant een ingezonden brief van cabaretier Theo Maassen, een prachtig hekeldicht, vermomd als ode. Tikje subtieler dan Böhmermann:

Erdogan, Erdogan,
wat is dat toch een leuke man
wat is dat toch een fijne vent
die Turkse president

hij is innemend, sympathiek
kan tegen grapjes en kritiek
zo bescheiden en charmant
wat zou ik trots zijn op zo’n land

hij ruikt heerlijk, altijd schoon
zo bijzonder, zo gewoon
hij is nobel, wijs en lief
welbespraakt en sensitief

op dieren is de man verzot
van het schaap tot de marmot
geitjes aaien maakt hem blij
maar daar blijft het dan ook bij

een voorbeeld voor elke man
dat is Recep Tayyip Erdogan
zelfs van buiten is hij mooi
elke porie, elke plooi

zijn kaaklijn, ogen, zijn gebit
zijn haar dat altijd prachtig zit
perfect de glooiing van zijn wang
alleen zijn arm is nogal lang…

Theo Maassen

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Smaadkritiek

Een maffe, laffe, benepen man,
dat is president Erdogan.
Bij die stank van döner rond z’n ding
is een varkensruft verbetering.

Hij is de man die meisjes slaat,

met bemaskerd rubberen gelaat,
Maar ’t liefst wat hij doet is geiten fucken

en minderheden onderdrukken,

Koerden schoppen, christenen hakken,
daarbij wat kinderporno pakken.
En zelfs ’s nachts wil hij niet slapen,
maar fellatio met honderd schapen.

Ja, Erdogan is, honderd procent
een kleingeschapen president.
Ze fluisteren, al zijn landgenoten:
dat domme zwijn heeft rimpelkloten.

Van Istanboel tot Ankara
weet ieder: hij is hopsasa,
gestoord, pervers en zoöfiel,
Recep Fritzl Priklopil.

Zijn kop is leger dan zijn ballen, 
elk gangbangfeest zie je hem knallen
tot hij nauwelijks nog pissen kan.
Dat is President Recep Erdogan.

Jan Böhmermann
Het origineel staat hier. Vertaling door redactie De Valse Noot: Alexis de Roode, Daniël Dee, Benne van der Velde, met een tip van Akim A.J. Willems.
Toelichting: op 17 mei 2016 verbood de Duitse rechter de cabaretier Jan Böhmermann om bepaalde delen uit zijn hekeldicht tegen Erdogan in de toekomst nog voor te lezen, specifiek de seksueel getinte onderdelen. We hebben de betreffende delen in deze vertaling alvast doorgestreept. De laatste keer dat een gedicht in Nederland of Duitsland werd verboden was, zover wij weten, in de periode ’40-’45, eveneens door een Duitse rechter.
Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Schmähkritik

Sackdoof, feige und verklemmt,
ist Erdogan, der Präsident.
Sein Gelöt stinkt schlimm nach Döner,
selbst ein Schweinefurz riecht schöner.

Er ist der Mann, der Mädchen schlägt
und dabei Gummimasken trägt.
Am liebsten mag er Ziegen ficken
und Minderheiten unterdrücken,

Kurden treten, Christen hauen
und dabei Kinderpornos schauen.
Und selbst abends heißts statt schlafen,
Fellatio mit hundert Schafen.

Ja, Erdogan ist voll und ganz,
ein Präsident mit kleinem Schwanz.
Jeden Türken hört man flöten,
die dumme Sau hat Schrumpelklöten.

Von Ankara bis Istanbul
weiß jeder, dieser Mann ist schwul,
pervers, verlaust und zoophil –
Recep Fritzl Priklopil.

Sein Kopf so leer wie seine Eier,
der Star auf jeder Gangbang-Feier.
Bis der Schwanz beim Pinkeln brennt,
das ist Recep Erdogan, der türkische Präsident.

Jan Böhmermann

Toelichting: op 18 mei 2016 zijn delen van dit hekeldicht van Jan Böhmermann tegen de Turkse president Recep Erdogan verboden door de Duitse rechtbank. Het is inderdaad geen best gedicht, maar verbieden gaat wel erg ver, vinden wij. Böhmermanns advocaat heeft aan de advocaten van Erdogan laten weten dat het gedicht verkeerd is begrepen: het is geen losstaand gedicht over Erdogan maar maakt duidelijk wat in Duitsland aan satire geoorloofd is en wat niet. 

Tegen God en goddelozen

Rome

Rome roept de protestanten,
samen zijn we zeker, sterk.
Ja, schaart u van alle kanten
bij de roomse moederkerk

Protestanten zijn restanten,
niet geschikt voor ‘t echte werk.
Wij, wij weten echt van wanten,
waar ik bij hen niets van merk.

Beste Rome luister even,
’t zal toch niet zo makkelijk gaan.
Gehoor aan die oproep geven?

Zo gezegd, maar niet gedaan.
Waar halen we zoveel gedreven
pedo-dominees vandaan?

Jan M. Hazenberg

 
Toelichting: geschreven naar aanleiding van o.a. uitspraken van kardinaal Van Eijk.
Tegen persoon X of Y

De smousgedichten van Kloos

Schimpdicht (1-11-1893)

O absoluut afschuwlijk applen-joodje,
Neen Jood niet, smous, die smerig dorst aanranden
Mijn dichter-zijn, dat gíj met smeer’ge handen,
Smerig van wanverbruikte verf in ‘t slootje

Woudt gooien van uw eigen zwak aan banden
Gelegd bestaan, neen aan een walglijk strootje
Van blufferige kleinheid, machtloos zoodje
Van vuil begeren, dat nu haast gaat stranden

Op ‘s werelds steenrotsharde kust, die eindlijk
Zal walgen van dit stadsaangolvend zeewier
En zal met kalmen golfslag heel dat grijpend

Ontuig versmijte’ in zee terug, dat pijnlijk
Het angstig voelt, boven zich voelt de meeuwzwier
Der mensheid in zichzelf doende rijpend.

Schimpdicht (11-11-1893)

Voor Willem Witsen,
aan sommige half-serieuze artiesten

O vuigjes samenknoeiend Jodentroepetje,
Gij, die de afschuw van het Christen zijnd
Echt Christen-zijnd in eeuwigheid waar zijnd,
In-vromelijk, Goddienend needrig stoepetje,

Niet tot God zelf die is volmaakt omheind
Door zichzelf Al-hoog-heerlijk, die elk roepetje
Van mensjes hoort, maar, als God, weet wat schijnt
Waar zijnd, maar niets is als een nietlijk poepetje

Van mensjes klein soms bijgenaamd artiestjes
Maar geen artiest zijnd bij Gods een’ge gratie,
Neen, zwakke decadentjes zoals Ietje is,

Wat Ietje is? Niet, want Ietje is niets, slechts statie
Van aller-allerafschuwelijkste ostentatie
Van aller-artistiekerige nietsjes.


Schimpdicht (22-11-1893)

O smousje met uw onanistensnuit,
Dat laat suceeren u door kleine meisjes,
Die ge opgegrabbeld van den Dam, als buit,
Ontbiedt op vuil-mysterieuze wijsjes,

Gij moest een peren-kerel zijn, die lijsjes
Ophopend winst loopt langs de straat en kruit
Zijn zware wagen voort en voort en wijsjes
Rondkijkt of iemand voor zijn waar een duit

Of zes wil geven. Man, o man, neen man niet
Een half verdraaid, zich in zich zelf verkniezend
Usurpatoortje, in schijn nog slechts, verliezend

Uw eigen leven gij wanhopig knibblend
Met ’s werelds grootheid in u zelf steeds kibblend
Gij woudt artiest zijn, zwakling maar dat kan niet

Willem Kloos
 
Toelichting: in 1893/1894 schrijft Kloos een groot aantal hekelsonnetten tegen vrijwel iedereen die hij kent. Daarbij maken we ook kennis met de anti-semitische kant van Kloos. Deze sonnetten zijn gericht tegen de kring rond schilder Isaac Israels en/of de schrijver en schilder Bernard Canter. Kort erna belandde Kloos in een psychiatrische inrichting. 
Tegen God en goddelozen

Niet te harden

Het is voor Allah niet te harden
als hij geen vlees meer krijgt te eten
dus schiet maar met een schoon geweten
een bus vol kinderen aan flarden
Het vlees hoeft niet halal te zijn
want ook een smerig homozwijn
en de onreine christenhonden
zijn door Allah al verslonden

We sidderen voor extremisten
die de koran interpreteren
als handboek voor het liquideren
van elke heiden, jood of christen.
Maar stel, die Allah vreet ons op
de westerse beschaving stopt
wat blijft er over op de aarde
dan moordenaars met zwarte baarden?

Dan is het uit met grappen maken
dan is het uit met musiceren
dan valt er niets te tolereren
en schreeuwt de imam van de daken
Dan zijn ze nog de enigen
om mensen dood te stenigen
die ze op overspel betrappen
of clandestien een biertje tappen

Dit is de boodschap aan die slachters:
Jullie terreur is overbodig|
Allah heeft geen bescherming nodig
van wrede killers en verkrachters

Piet Bogaards

Tegen de liefde en haar medeplichtigen

Bestuurlijke zinnen

“Sexual arousal is familiar, personal, very human, and utterly
commonplace. Even so, we all systematically underpredict the 
degree to which arousal completely negates our superego, 
and the way emotions can take control of our behavior” 
– Dan Ariely

‘Dat ‘t nu eindelijk mag geschieden,’ dichtte Kees, de wethouder
met sociale zaken in zijn portefeuille, voor Does, lid van de raad
van commissarissen van de sociale werkvoorziening. Gemankeerde
lijven behoorden hun beider carrière toe. Als zijn strak verheven lid
verdween een van zijn vingers tussen vochtige lippen.

Zo zompig

een gladde gleuf verlangde hij zich al sinds z’n pukkelige puberjaren.
Nu ’n kalende man begeerde hij nog driftiger het zuigende zinnebeeld
binnen bereik om schokkend in te stoten. Davids wellustige psalmen
golfden al weer uit z’n lendenen in de gedroomde schoot van zíjn
toezichthouder. Hunkerende vochtigheid dichtte hij haar toe, maar
woorden bereikten zijn gedicht voor haar al maar niet.

De vrouw

met wie hij bed en kinderen deelde had nooit met zo’n nat verlangen
op hem liggen wachten. Zijn eigen lippen kwijlden nu de hartstocht
in haar, zijn Does, terwijl zij hem om haar vinger wond met ’n glimlach
die verleiding loog en met een teder dralende hand op z’n arm
tijdens een kort beraad. Haar bekkenbodem was gebarsten. Kezen
kwam er sowieso niet meer van, zeker niet met deze portefeuillehouder
(zijn vissenogen, huh!), maar ‘t bestuursventje was zo bruikbaar.

Haar lippen

verfde zij met ‘t  speeksel van haar tong, zij trilde zacht haar vingers
over z’n hand, look haar ogen verlegen en wist de schacht van ‘r Kees
zondezwaar bij het lezen van zijn leidraad voor het leven: de Bijbelse
psalmen. Hij leegde zich en vulde schromelijk sjorrend en zacht
grommend de begeerlijke leegte van zijn echt. Lust dichtte een regel
om mee te openen: ‘Dat ’t nu eindelijk mag geschieden.’

Gesloten, droog

bleven z’n vrouwen: moeders sliep en van zijn dartele Does was weer
de heup uit de kom geschoten. Kees koesterde jachtig ’t gulzig zinderen
voor zijn teefje. Begerig tekende hij het besluit van de raad, dat mocht
’n flinke duit kosten: de werkvoorziening is iedere cent waard. Hij
schoof z’n kleverig gerei uit ‘t zicht. Zondige zinnen zouden volgen.

Aart G. Broek

Tegen persoon X of Y

Odorant (epigram IV-4)

De lucht van drooggevallen slibmoerassen,
van rotte vis in bekkens bij de zee,
van Tiburs walgelijke zwavelgassen,
van geile bokken tussen bronstig vee,
van zweetvoeten die komen aangestrompeld,
van veteranenschoeisel dat niet past,
van purperstof die tweemaal is gedompeld,
van ’t open keelgat van een jood die vast,
van muffe schimmel en verwelkte bloesem,
van mesthoop, vossenhol of addernest,
van ranse smeersels uit Sabijnse droesem,
van olielampen walmend als de pest:
al deze lucht, Bassa, ruikt zwak en flauw
in vergelijking met de lucht van jou!

Martialis

vertaling Frans van Dooren