Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Domweg gelukkig tegen Sinterklaas

(Voor Richard de Nooy)

Normaal is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is normaal nog in dit land?
Een meninkje, ter grootte van een krant,
Een toerbus met wat autootjes ertegen.

Geef mij de Friese, stedelijke wegen,
D’ in dranghek vastgeklonken demonstrant,
Spandoeken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zwarte Pieten, in de lucht bewegen.

Alles is zwart voor wie veel zwart verwacht.
December houdt zijn wonderen verborgen
Tot het de Pieten toont in wild geraas.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een Friezerigen morgen,
Domweg gelukkig, tegen Sinterklaas.

Bas Belleman

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Vladimir Vladimirovitsj,

met je elfensnoetje,
ik wil geen propaganda bedrijven
maar je maakt het me zo moeilijk,
o grote man in je strakke pak
ik heb je platgegoogled weet je dat
altijd tot in de puntjes verzorgd
je haren netjes in model
ik zie het wel, ik zie het wel
ik zag je foto in die legerbroek bij de rivier
de hengel mannelijk geheven,
bijna reikend tot de andere oever,
weet je nog bij de KGB,
hoe je de jongens liet kronkelen,
en nu overal die foto’s in je blote bast,
foto’s waarop je een groot hard pistool in je hand houdt,
foto’s waarop je je wijsvinger opsteekt,
het is een dikke vinger
en soms houd je hem dicht bij je mond,
o Vladimir, wij hoeven geen propaganda te bedrijven,
dat hebben wij niet nodig, jij en ik,
aan een gebaar heb ik genoeg,
als je scheef naar me kijkt uit je ooghoeken,
Vladimir Vladimirovitsj,
neusaapje van me,
dan hoef je verder niks te zeggen,
laten we stil zijn,
laten we stil zijn met z’n tweetjes,
laat die mensen buiten maar schreeuwen.

Alexis de Roode

Uit de bundel Een steen openvouwen, Uitgeverij Podium, 2017

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Schokkend

Een crime wat er gebeurt in Groningen!
De bevingsschade woekert aan tot schande
die inwoners terecht doet knarsetanden:
hoe leef je in gestutte woningen?

Ik vrees dat Henkie Kamp pas wakker wordt
wanneer héél Groningen is ingestort!

Inge Boulonois

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Echo’s van Hamelen – of: een olijke fabel

Alles heeft een echo, alles – althans daar begint het
allemaal mee vandaag, deze degelijke fabel. Olijk

nietwaar? Nog lijkt er niets aan de hand daar
in dat verre land der lemmingen. Niemand die ergens

iets van zegt, dus de lemmingen verlustigen zich rustig
in de zon – biologisch allang weerlegd natuurlijk,

maar het klinkt verdomde lekker zo, die lanterfantende
lemmingen. Daar komt vanuit het blote niets

een lawaaipapegaai aangevlogen: type grote snavel,
kop met kuif (niet kaal – RvG), keurig in de veren.

Lemming – lemming, zegt hij en strijkt neer,
lemming – lemming, zegt hij weer. Hij heeft het maar

van horen zeggen, en doet conform zijn eigen ik
niets anders dan pro forma reproduceren van het laatste

bijgeleerde. En de lemmingen voelen zich lekker
aangesproken, roepen: meer – meer. Niet eerder was er

zo’n vogel die zoiets zo doeltreffend zei. Dus met
iedere lemming – lemming, komt er weer een lemming

bij. Lemma’s lemmingen drommen rondom de papegaai.
Eenparig, eendrachtig, eenvormig, eender, zoals

lemming en lemming eender zijn, en eendere genen eender.
Lawaaipapegaai, probeert er nog een die anders is;

een verspreking wellicht, of haperende lettergrepen.
Hij wordt terechtgewezen door de menigte, tot in het ravijn.

Lemming – lemming, klinkt het nog n-a-a-a-a. Het loopt uit
de hand. Hier helpt geen Fleming meer, geen Vlaming zelfs,

nochtans beterder (sic!) in taal. Er is geen woord hoger honing bij,
eerder kakofonieën langs de laagwei – gekloonde metaforen.

De lemmingen lemmen door als in een larmoyant koor,
terwijl de lawaaipapegaai lemmert tot het lemieren

van de dag. Dan is ook het woordenboek op. En op
vliegt de lawaaipapegaai en laat een mentale oplawaai

waaien over het leger nu compleet verweesde lemmingen.
Lemming, prevelt een lemming nog wat hees. En zet zich

enigszins bedremmeld in beweging. Een zelfgenererend
procédé, een processie zonder weerga, zodat de ene na

de andere lemming meebeweegt. Zij stamelen in eendere
stemming: lemming – lemming, en gaan hun voorganger na.

Rond het ravijn klinken de klanken nog verfijnder, daar
beneden horen zij talloze engelen lemming – lemming zingen.

De lemmingen dremmen door tot over de rand, verdrinken in
de opgeroepen deining van de zee, verminderen zienderogen.

En de lawaaipapegaai? Die doet niet meer mee, is allang
weer opgetogen van een volgend woord. Mensenkinderen!

Ruben van Gogh

Toelichting:
Gedicht uit Klein Oera Linda (Contact, 2006). Ruben van Gogh schreef het vóór 2003. Een tamelijk profetisch gedicht over de opkomst van het nieuwe populisme.

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

‘Ik hou niet van Max Havelaar-gemauw’

Ik hou niet van Max Havelaar-gemauw,
dus fair-trade kan me zeer gestolen worden.
Ja, gooi die zooi maar in de Noorse fjorden.
Heel graag, want (Hopla!) weg ermee en gauw.

Die Tony’s Chocolonely is te flauw
voor woorden. Lekker eten op de borden
(desnoods gemaakt door arme slavenhorden)
wil ik! En verder kijk ik niet zo nauw.

Het sprookje van Saïdjah en Adinda,
kijk, dát verhaal dat scoort bij mij een plus.
Ik krijg me toch een flinke trek van jouw

en mijn koloniaal verleden (Pinda!).
Ik hou van eerlijke producten, dus
laatst kocht ik bij de slager een karbouw…

Bas Jongenelen

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Pogrom op Prinsjesdag

Waar is de nar? Vraagt mij iemand.
Er was vroeger een nar.

Ik heb het koud. Het is warm zegt de nar.
De dichter roept, de dichter vraagt, de dichter wijst.

1936 en de dichter was er.
Ik kreeg de bundel in mijn handen geduwd van een dichter.

“Poëzie in Carré”
Hoop leest verzet, leest de oorlog, leest de vrede.

De dichter die roept, de dichter die vraagt, de dichter die wijst.

Het is mooi weer zegt de nar,
luister niet naar de weergoden.

Dichter roep, dichter vraag, dichter wijs.

“Een korte schreeuw weerkaatst tussen de wanden.
– Het is maar tien uur sporen naar Berlijn.”

Het is Prinsjesdag en het is mooi weer, maar het dreigt.
Daarom vandaag het gedicht Pogrom,

van een dichter.

Petra van den Eerenbeemt, Prinsjesdag 2016

Pogrom

Is dat de maan, die naar het laatst kwartier gaat,
of een gelaat, omgord door walm en vlam?
Waar is Berlijn, en waar de Grenadierstraat?
– Vluchtte de jongen, toen de bende kwam?

Is dat zijn schim, die daar voor de rivier staat,
is dit het water dat hem langzaam nam,
is dit de Spree, en dat de Grenadierstraat?
– Het is de Amstelstroom, ’t is Amsterdam.

Op ’t Rembrandtsplein gaan de lantarens branden,
over de daken sproeit een lichtfontein.
– Ik druk mijn nagels dieper in mijn handen.

De Jodenbreestraat is een diep ravijn;
ik zie mijn schaduw dansen op de wanden.
– Het is maar tien uur sporen naar Berlijn.

Ed Hoornik, 1936

 

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Vrijheid

Vrijheid, o opgerekt, uitgelubberd woord,
uitgetrokken tot een flinterdun vlies
over ijskoude Hollandse luchten,

woekerend woord in dit steenrijk land
waar de mensen vet van vrijheid zijn,
vrijheid van vrije markt en vrije jongens,

vrijheid om door de brievenbus te pissen,
vrijheid om een kopstootje uit te delen,
vrijheid om je zwangere vrouw in elkaar te slaan,
vrijheid om pubermeisjes te verleiden,
vrijheid om kinderen in een cel op te sluiten,

o vrijheid, ploertendoder van Kapitein Krijsbek
in het land van angst, vrijbrief van de haat,
moordenaar van gelijkheid en broederschap,

claim je Franse naam terug, kruip uit de monden van de ratten,
en verhef je weer hoog aan de hemel,
schijn op alle mensen, verwarm dit bange land.

Alexis de Roode

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

van het spiegeltje en de kraaltjes

mi gudu knipt de kousenband en klakt
met haar zachtroze tong: bakra
jij moet werken!
mi toli strekt zich loom in de nazon
ik temper de verwachting en sommeer:
eerst kanen kreng!

we hadden ze mooi tuk daar in die negorij
tot ome Sam kwam en zei: zo werkt dat niet
in mijn van God gegeven heerschappij
staat het de slaaf vrij
zijn eigen ketenen te fabriceren
en met een trots gebaar
rondom de eigen nek te deponeren
in een vernuftig spel van vraag
en aanbod en van flessentrekkerij…
de opbrengst is dan uiteraard voor mij

mi gudu kijkt mij aan en zwijgt
als een berg die niet naar Mohammed gaat komen
mi toli trekt zich terug in larmoyante dromen
ik veeg wat kruimels van het kleed
en jas de piepers en ik zweet

Reinier de Rooie

Toelichting (van de redactie): 
Een wat complexer hekeldicht waarin het neokolonialisme wordt gehekeld, evenals de ik-persoon.
mi gudu – mijn schatje
bakra – blanke, hollander
mi toli – mijn leuter

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Ontsluierd

woestijnkind werp je zwarte sluier af
vergeet de gesel van de jonge jaren
een bries beroert je vrijgevochten haren
er is geen god, er volgt geen zware straf

trek haastig al je warme kleren uit
en laat de zon de naakte huid beschijnen
de schaamte zal bij toverslag verdwijnen
je bent een vrije vrouw, geen slaafse bruid

je geest is los, je heupen staan in brand
de hoogste tijd het lichaam neer te vlijen
je vingers vinden zinderende dijen
je geeft de fantasie de vrije hand

bloei open in je nieuwe vaderland
het is geen zonde met de zon te vrijen

 Daan de Ligt

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Alarmisten

Och bevende alarmisten,
Och pruiken, podagristen,
Och ouwe–wijven–kliek,
Och nare leuterkousen,
Och bankroetiers en smousen,
Je malen maakt me ziek.

Je duffe conversatie
Is éne lamentatie,
En nergens zie je licht;
Je snatert en je stottert,
Je steunt en stikt en stottert….
’t Is wat een vies gezicht!

Gedaalde metallieken,
Failliete republieken,
D’ effectenhoek vol vrees;
De kooplui in perikel,
Heel de aard op een karikel,
De wereld op de sjees!

Het mensdom op zijn endje,
Veel kinderen en – geen centje
Verdiensten op ’t kantoor:
De hele boel in ’t honderd,
En half Euroop geplonderd –
Dat ’s alles wat ik hoor!

Wie naar je praat wil luisteren,
Die ziet de zon verduisteren,
Die weet niet, wat hij ziet,
En zou zijn mooiste zaken
Terstond aan kant gaan maken,
Of stuurt ze recht – in ’t riet!

Die zou zich dood gaan kniezen,
En al zijn geld verliezen
Uit zuinigheid alleen;
Die laat zijn kroost verhongeren,
En foetert op de jongeren,
Die spotten op hem heen!

Die ziet, owaai! de Fransen
Al in zijn keuken dansen,
De meid tot déjeuné;
Die ’s nergens op zijn aise,
Die hoort een Marseillaise
In ’t lied van Isabé!

Die ziet in al zijn zonen
Al tijger–aardjes wonen
En kleine Louis Blanc’s:
Die ’s bang voor Balinezen,
Die durft geen krant meer lezen,
Maar kijkt er rillend langs!

Met al die bange wezels,
Die kwezels en die ezels,
Wie drommel, weet er raad?
Al trekken zich die Joppen
De haren uit hun koppen,
Ik weet niet of het baat!

Maar handen uit de mouwen,
Couragie en vertrouwen
En wat gezond verstand!
De mens leeft om te hopen…
En ’t zal zo’n vaart niet lopen:
’t Leit immers op zijn kant?

Ook ik beken het gaarn:
Wat onze tijden baren
Is ver van amusant,
’t Is vreselijk en ’t is ijselijk,
’t Is schriklijk en afgrijselijk…
En ik heb ook het land!

Maar ’t ergst van alle plagen,
Zijn toch in onze dagen
Die kennissen van Job!
Het zijn je die meneren,
Die steeds jeremiëren,
Die altijd lamenteren,
Die ’t weinigs goeds negeren
En eeuwig redeneren
Als kippen zonder kop!

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

De Genestet was een protestantse (remonstrantse) dominee. Hij schreef dit hekeldicht tegen angstzaaiers in 1848, toen een revolutionaire wind door Europa waaide en overal achtergestelde burgers hun rechten opeisten en aandrongen op liberalisatie en inperking van de oude macht. In veel landen kwam het tot onlusten, ook in Nederland, maar hier minder dan bijvoorbeeld in Frankrijk. De Genestet hekelt de angsthazen, die bang zijn hun rijkdom en privileges te verliezen en angst aanwakkeren onder hun medeburgers. Hij schaart zichzelf overigens aan de kant van conservatieven, vindt de onrust ook maar niets, maar hij denkt dat het zo’n vaart niet zal lopen. In Nederland bleef het uiteindelijk rustig, want in reactie op de onlusten voerde Thorbecke een nieuwe grondwet in, waarin de macht van koning Willem II werd ingeperkt, de burgerrechten werden uitgebreid en de joden en katholieken, die achtergesteld waren gebleven, definitief werden gelijkgeschakeld aan protestanten. Opvallend genoeg hekelt De Genestet in zijn gedicht specifiek de angsthazen onder de katholieken (kwezels) en de joden (kennissen van Job).