Tegen poëzie en de literaire wereld

Voor ’t vrije woord

zo’n dichter die met rijm en metrum strooit
die zinnen naar hun strenge wetten plooit
als legden zij de kern van dichten vast
zo’n dichter is het woord alleen tot last

aanvaarden zal ik niet zijn hard gemoed
dat houwend met het scherpste woordenzwaard
een ieder met een ongebonden aard
beknotten wil, bestraffen met de knoet

waar dogmatiek het vrije schrijven smart
daar wordt de dag tot nacht, als roet zo zwart
geen licht dat nog de dichterziel bekoort

de strengheid van zijn metrum doet mij braken
en nooit, nee nooit zal ik mijn plicht verzaken
te strijden voor het ongerijmde woord

Jacob van Schaijk

Tegen poëzie en de literaire wereld

Prosodie?

Ik hou van metrum, rijm en harmonie
Sonnet, retour, octaaf of een kwatrijn
Ik voer ze linea recta aan mijn brein
Maar geef me nooit verbloemde poëzie

Ik word niet goed van vage woordenprak
En kwak die onzin in de vuilnisbak.

Hanny van Alphen

Tegen poëzie en de literaire wereld

Festina Lente

Ik weet het
ik ben een slecht verliezer

toch was het allesbehalve een matig optreden
ik slamde mij een poetry
dat het een lieve lust was
voor de zekerheid stond mijn vriend
backstage klaar om de jury
te pijpen

de jury viel wellicht niet op mijn vriend
de jury met twee donkerharige West-Friese boys
hun ruggen naar het podium
hetzij zonder draaistoel
noem ik ze toch Nick en Simon

een Kira Wuck, teder overeind gehouden
door welig verstopte wijnrekken
en de lieve Sven
die vast heel moe was
en daarom steeds
in coma sukkelde

ik slamde mij een poetry
dat het een lieve lust was
voor de zekerheid
stond ík dan maar backstage
klaar voor de jury

bleek Sven net door zijn vijfde Westmalle
Dubbel bevredigd
Nick en Simon
vonden mij te oud
en de pik van Kira
kon ik zo snel niet vinden

ondertussen
slamde ik me een poetry
dat het een lieve lust was
ik ging door naar
de tweede ronde

deed de jury zich in de finale
een mimende toneelspeler cadeau
kon ze eindelijk
vier minuten
ongestoord
doorslempen

slempte ze zich een poetry
dat het een lieve lust was

Wieke Hart

Tegen poëzie en de literaire wereld

Het vastbinden van de dichteres aan een stoel

In een statig gebouw aan de singel
zit een geheime kamer.
De kamer is zo geheim dat alleen ik de sleutel heb.

Aan tafel zit een dichteres. Het is de dichteres die
gedichten schrijft over haar navel,
waarin altijd wel een zee aanspoelt. De afstand
tot de ander meetbaar is en ook weer niet.
Op zondag wil ze mosgroen voor me zingen.

Haar handen zitten op haar rug, haar lippen
heb ik afgeplakt. Voor haar ligt een vel papier
dat ze niet kan vullen.

Anne Broeksma

Tegen poëzie en de literaire wereld

En durft gij mij

En durft gij mij van dichten spreken,
die nimmer zijt in staat
twee reken
te rijmen dat het gaat!

Het dichten is van God gegeven,
maar niet aan elk ende een
in ’t leven;
de kunste is niet gemeen.

Laat bloeien al die roos mag wezen,
spruit helder, zijt gij bron;
maar dezen
die ton zijn blijven ton!

De miere en zal geen peerd heur wensen,
de krieke geen radijs;
de mensen
alleen zijn niet zo wijs.

Zo, elk ende een het zijne! Soldaten
het buskruit, zo ’t behoort,
gelaten,
en Dichteren het woord!

Guido Gezelle