Tegen persoon X of Y

Battlesonnet

Zij zijn zo graag de shit zoals die boef.
Ze slapen graag te kort want dat is stoer.
Een rok te kort dan is de kech een hoer.
En het niveau van wordplay is zo droef.

Zij willen zo graag aan zijn lippen hangen.
Hij jaagt habiba liefst de keuken in.
Hij gangsta maar zij thuis bij haar gezin.
Die gast hij kan niet eens een band vervangen.

Da’s lastig als de police op je jaagt.
Hij vind niet eens de krik voor zijn niveau.
En schrikt als men een vrouw haar mening vraagt.

En als het dan ontploft in zijn gezicht.
Speelt hij het hondje van het spijt me zo.
Karma, de bitch, zij brengt weer evenwicht.

Tom Driesen

 

Tegen persoon X of Y

De Trompettist

Het brein, aangevreten door koperpoetsdampen,
de bilnaad, die diepgaande poetsbeurt verlangt,
de voetwrat, geplet door ’t tegenmaats stampen,
de buikplooi, waaronder het lid zich verhangt.

De piepende adem, onritmisch en chronisch,
het oog, dof en droevig en donker omwald,
de aars, in een wurggreep van aambeikolonies,
de lever, gezwollen, voor immer vergald.

De lip uitgelebberd, de mond stuk van’t lurken,
de poffers en puisten, ’t onsmakelijk snurken,
het tanend I.Q. dat niet eens wordt gemist.

Het harige neusgat, met slijmgroene pegel,
de stank, ondersteund door een alcoholkegel,
ziedaar, goede luisteraar, de trompettist.

Aaike Jordans

Tegen persoon X of Y

De smousgedichten van Kloos

Schimpdicht (1-11-1893)

O absoluut afschuwlijk applen-joodje,
Neen Jood niet, smous, die smerig dorst aanranden
Mijn dichter-zijn, dat gíj met smeer’ge handen,
Smerig van wanverbruikte verf in ‘t slootje

Woudt gooien van uw eigen zwak aan banden
Gelegd bestaan, neen aan een walglijk strootje
Van blufferige kleinheid, machtloos zoodje
Van vuil begeren, dat nu haast gaat stranden

Op ‘s werelds steenrotsharde kust, die eindlijk
Zal walgen van dit stadsaangolvend zeewier
En zal met kalmen golfslag heel dat grijpend

Ontuig versmijte’ in zee terug, dat pijnlijk
Het angstig voelt, boven zich voelt de meeuwzwier
Der mensheid in zichzelf doende rijpend.

Schimpdicht (11-11-1893)

Voor Willem Witsen,
aan sommige half-serieuze artiesten

O vuigjes samenknoeiend Jodentroepetje,
Gij, die de afschuw van het Christen zijnd
Echt Christen-zijnd in eeuwigheid waar zijnd,
In-vromelijk, Goddienend needrig stoepetje,

Niet tot God zelf die is volmaakt omheind
Door zichzelf Al-hoog-heerlijk, die elk roepetje
Van mensjes hoort, maar, als God, weet wat schijnt
Waar zijnd, maar niets is als een nietlijk poepetje

Van mensjes klein soms bijgenaamd artiestjes
Maar geen artiest zijnd bij Gods een’ge gratie,
Neen, zwakke decadentjes zoals Ietje is,

Wat Ietje is? Niet, want Ietje is niets, slechts statie
Van aller-allerafschuwelijkste ostentatie
Van aller-artistiekerige nietsjes.


Schimpdicht (22-11-1893)

O smousje met uw onanistensnuit,
Dat laat suceeren u door kleine meisjes,
Die ge opgegrabbeld van den Dam, als buit,
Ontbiedt op vuil-mysterieuze wijsjes,

Gij moest een peren-kerel zijn, die lijsjes
Ophopend winst loopt langs de straat en kruit
Zijn zware wagen voort en voort en wijsjes
Rondkijkt of iemand voor zijn waar een duit

Of zes wil geven. Man, o man, neen man niet
Een half verdraaid, zich in zich zelf verkniezend
Usurpatoortje, in schijn nog slechts, verliezend

Uw eigen leven gij wanhopig knibblend
Met ’s werelds grootheid in u zelf steeds kibblend
Gij woudt artiest zijn, zwakling maar dat kan niet

Willem Kloos
 
Toelichting: in 1893/1894 schrijft Kloos een groot aantal hekelsonnetten tegen vrijwel iedereen die hij kent. Daarbij maken we ook kennis met de anti-semitische kant van Kloos. Deze sonnetten zijn gericht tegen de kring rond schilder Isaac Israels en/of de schrijver en schilder Bernard Canter. Kort erna belandde Kloos in een psychiatrische inrichting. 
Tegen persoon X of Y

Odorant (epigram IV-4)

De lucht van drooggevallen slibmoerassen,
van rotte vis in bekkens bij de zee,
van Tiburs walgelijke zwavelgassen,
van geile bokken tussen bronstig vee,
van zweetvoeten die komen aangestrompeld,
van veteranenschoeisel dat niet past,
van purperstof die tweemaal is gedompeld,
van ’t open keelgat van een jood die vast,
van muffe schimmel en verwelkte bloesem,
van mesthoop, vossenhol of addernest,
van ranse smeersels uit Sabijnse droesem,
van olielampen walmend als de pest:
al deze lucht, Bassa, ruikt zwak en flauw
in vergelijking met de lucht van jou!

Martialis

vertaling Frans van Dooren

Tegen persoon X of Y

De Grote Blonde Leider

1.

Jij, Baardaap en jij, Kopvodsnol
het is hier voller nog dan vol
kruip terug naar je Sahara-hol

less is more en meer is minder
minder jij geeft minder hinder
ga dus terug jij naar daarginder

leer van ons, fijner besnaarden:
wij zijn blind voor jullie waarden –

deze zeer beschaafde natie
wil met jullie geen relatie
wij zijn ziek van integratie
minder willen w’ en niet meer
en ALS je blijft: assimileer!

Ik lust jullie gekookt en rauw
dus rot maar op en doe dat gauw

De Heilstaat zal pas dàn ontstaan
als men hier vrij en fier kan gaan
langs hoofddoek-loze Maliebaan

Neerlands bloed bruist mij door d’aad’ren
dromend zie’k de zege naad’ren
hij maakt me rijk, victoria,
ik waan mij reeds in Panama –

waar ‘k welverdiend mijn zakken vul
als ieder juicht voor deze knul:
hun Grote Blonde Leider!

2.

tezz mattie Blondie-permanent
denk jij dat je een kerel bent
jij shibber-shitte braka-vent?

duh – meer tatta’s, ja DAT is fijn
zeg slap-geswaffeld saggerijn:
als’k weg ging zou jij nergens zijn!

want, grote-blaaskaak-blanda-mond:
bij wie zoek jij dan nog je stront?
de stroggel strooi je in het rond
zo geel je haar, zo kort je lont!

toetoemoel nou je grote smoel
als je begrijpt wat ik bedoel
je wordt nooit spang, je wordt nooit cool

jouw doekoe, praatjes en blondeer
brengen je heus geen chickies meer
space verder in je skrale taal:
het is en blijft een ziek verhaal.


Lied van de Loo

Tegen persoon X of Y

Toverpotje

Heil wachttoren van het noorden, hoeder van lucht,
spaar de spinragjes op haar heksenwratjes
daar.

Heil wachttoren van het oosten, hoeder van water,
laat haar snel wat even laf gesmaakte kruidenbetovertjes koken
dan hoe ze daar ruikt.

Heil wachttoren van het zuiden, hoeder van vuur,
bevuil haar heksenkruisje met niets anders dan tovenaarstafjenijd
daar.

Heil wachttoren van het westen, hoeder van aarde,
geef me uw macht om haar te vegen met haar nieuwe, ruwe bezem
daar.

Driewerf.

Benne van der Velde

Tegen persoon X of Y

Penibele vraag

Dat jij je armen en je borst
en je onderlijf laat epileren,
waarbij je ’t schaamhaar rond je pik
vrijwel volledig weg laat scheren,
dat komt omdat jij -’t is bekend-
je liefje daarmee wilt charmeren.
Maar Labiénus, heel concreet:
voor wie scheer je eigenlijk je reet?

Marcus Valerius Martialis

Uit: Martialis, Romeinse epigrammen, Querido, 1996,
vertaald en ingeleid door Frans van Dooren.

Origineel:
quod pectus, quod crura tibi, quod bracchia vellis,
quod cincta est brevibus mentula tonsa pilis,
hoc praestas, Labiene, tuae – quis nescit? – amicae.
cui praestas, culum quod, Labiene, pilas?

 

Tegen persoon X of Y

Aan de moordenaar van Filippo Raciti

In den beginne was er oorlog, daarna
kwam het voetbal, een abstractie, een spel,
gespeeld door dure afgevaardigden
We ontwikkelden ons tot casinopubliek

starend naar het balletje. Maar voor sommigen
is het stadion slechts stadium, hun arena
ligt buiten het veld, de omgekeerde wereld
voor hun omgekeerde koppen

zijn zij nou zo´n kuddedier
of ben ik nou zo´n dolle stier?
Moordenaar van Filippo Raciti

je begreep niks van voetbal, begreep niks
van het leven, en het leven niks van jou
trek je conclusie, rund

Hanz Mirck