Tegen dichter X

Naar Cato: “overigens ben ik van mening dat…”

Er was eens een boer met een práchtalias
Die schreef hij op deur, glas, of op zijn lamellen
en, jammer, helaas, ging hij nooit aan het gas:
Bas Boekelo—één van zijn morsigste vellen
(zijn vrouw) geven wij ‘t pseudoniem ‘Lieve Ellen’.
Zij leefden als oudjes, maar zíj was nog kras
met tieten langwerpig als twee frikadellen,
dat past nu precies bij een kerel als Bas.

Want hij is bolrond en draagt brillendik glas
om slimmer te ogen—toch kan hij niet tellen
(dat heeft ooit zijn juffrouw gemerkt in de klas
nadat zij verzocht had om “schapen” te spellen).
En op ’t Vrije Vers is hij één der rebellen
(een snijboon gedijt immers ‘t best in een kas)
die zout- en talentloos met taal kokkerellen:
dat past nu precies bij een kerel als Bas.

Gaat hij naar hoeren, dan draagt hij geen jas,
maar hult mismaakt lijf in pyjama’s (flanellen),
daarin is het oudje het meest in zijn sas
ja, en in zijn zeug. Nee, zijn varkens, niet Ellen:
want háár vagijn doet zijn geslacht niet meer zwellen.
Soms ligt hij wat uitgeteld, lelijk in ’t gras
dan heeft hij cloaca’s van kipjes doen kwellen
dat past nu precies bij een kerel als Bas.

Oh, misbaksel uit weerzinwekkende cellen,
gij boertje wiens domheid nog nimmer genas,
een ui blijft een ui—je kunt urenlang pellen…
maar dit past precies bij een kerel als Bas.

Ditmar Bakker

 

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Domweg gelukkig tegen Sinterklaas

(Voor Richard de Nooy)

Normaal is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is normaal nog in dit land?
Een meninkje, ter grootte van een krant,
Een toerbus met wat autootjes ertegen.

Geef mij de Friese, stedelijke wegen,
D’ in dranghek vastgeklonken demonstrant,
Spandoeken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zwarte Pieten, in de lucht bewegen.

Alles is zwart voor wie veel zwart verwacht.
December houdt zijn wonderen verborgen
Tot het de Pieten toont in wild geraas.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een Friezerigen morgen,
Domweg gelukkig, tegen Sinterklaas.

Bas Belleman

Tegen poëzie en de literaire wereld

Voor ’t vrije woord

zo’n dichter die met rijm en metrum strooit
die zinnen naar hun strenge wetten plooit
als legden zij de kern van dichten vast
zo’n dichter is het woord alleen tot last

aanvaarden zal ik niet zijn hard gemoed
dat houwend met het scherpste woordenzwaard
een ieder met een ongebonden aard
beknotten wil, bestraffen met de knoet

waar dogmatiek het vrije schrijven smart
daar wordt de dag tot nacht, als roet zo zwart
geen licht dat nog de dichterziel bekoort

de strengheid van zijn metrum doet mij braken
en nooit, nee nooit zal ik mijn plicht verzaken
te strijden voor het ongerijmde woord

Jacob van Schaijk

Tegen dichter X

Noblesse Oblige

Een treurige prins me hol.
Laat me niet huilen, Jotie,
dat verdien je niet.

Ik wil niet zien waarom
je zo verdomde lelijk deed
of zeggen kon wat wij niet zeggen.

Waarom werd je nooit volwassen!
Al was het alleen maar
omdat wij dat ook moesten.

Ik houd van je talent
en haat je om dezelfde reden,
om wat je verdomde te zeggen.

Vader, kutjunk, geniaal,
stilstaan, knallen, geniaal,
geniaal, ja, nou weten we het wel.

Dood is dood, dode Jotie
en ik haat je om de tranen
die je verzen uit me slaan.

Benne van der Velde

Toelichting: inzending Jotie ’t Hooft-poezieprijs, editie 2014. ’t Hooft werd ook wel ‘de treurige prins’ genoemd.

 

Tegen politieke en maatschappelijke toestanden

Vladimir Vladimirovitsj,

met je elfensnoetje,
ik wil geen propaganda bedrijven
maar je maakt het me zo moeilijk,
o grote man in je strakke pak
ik heb je platgegoogled weet je dat
altijd tot in de puntjes verzorgd
je haren netjes in model
ik zie het wel, ik zie het wel
ik zag je foto in die legerbroek bij de rivier
de hengel mannelijk geheven,
bijna reikend tot de andere oever,
weet je nog bij de KGB,
hoe je de jongens liet kronkelen,
en nu overal die foto’s in je blote bast,
foto’s waarop je een groot hard pistool in je hand houdt,
foto’s waarop je je wijsvinger opsteekt,
het is een dikke vinger
en soms houd je hem dicht bij je mond,
o Vladimir, wij hoeven geen propaganda te bedrijven,
dat hebben wij niet nodig, jij en ik,
aan een gebaar heb ik genoeg,
als je scheef naar me kijkt uit je ooghoeken,
Vladimir Vladimirovitsj,
neusaapje van me,
dan hoef je verder niks te zeggen,
laten we stil zijn,
laten we stil zijn met z’n tweetjes,
laat die mensen buiten maar schreeuwen.

Alexis de Roode

Uit de bundel Een steen openvouwen, Uitgeverij Podium, 2017

Tegen dichter X

Slampamper

de nieuwe lichting dichters zijn zo fris
de ene slammer na de ander spuwt zijn spinsels
over wonen in een wijk of het eeuwige gebeier
van de stad die bijna altijd sliep
van jonge meisjesliefdes voor konijntjes
en die jongen die die keer bij haar bleef slapen
en gepocheerde eieren bereidde
en hoe de kalfjes geboren en de koeien geschoren
en van de stad die bijna altijd sliep
de nieuwe lichting dichters zijn zo lekker eigenwijs
acht mensen praten hier over
43 vind-ik-leuks wink-emoticon
jij won toch die slam of kwam je net na hem
ja hem vond ik ook heel goed
heb je niet de publieksprijs dan
wtf maar jij bent sowieso beter
jeweettoch kus voor jou
zie ik je vanavond in de stad
of moet je morgen werken
afgestudeerd aan academie en nu
magazijn- en buurtsuperpersoneel
overdag zie je niet dat ze wachten
maar reken maar van yes
jonge mensjes zeggen dingen
in steden die altijd zullen blijven slapen
op die avonden in volle lokalen
waar ze opbieden tegen zichzelf
fijne jongelui met echt nog karakter
belezen, gladgeschoren, met knot
en spijkershort voorbij hun navel
doordachte images dragend
de erudiete nieuwe klasse
in hun leven is bijna alles een grapje
die nieuwe lichting dichters zijn zo fris
als happen uit een granny smith appel

Mannes Visch

Tegen dichter X

Helemaal niets

Ik ken een man -half of minder- die lyrisch schrijft.
Of ik denk dat ik hem ken. Hij is
een held die taal ombuigt. Meandert
in somsbegrepen zinnen, als geen ander
dicht.

Hoe hij zijn witregels vult is prachtig
onbegrepen. Was ik hem maar
dacht ik lang.

Hij vindt wat van me. Soms
ben ik provinciaal, een jutezak
gevuld met stro en bier en zaagsel,

een holhoofd. Wellicht
de sneuste meest trieste figuur ooit,
moet ik sterven als sneue zak.

Been there, done that.

Waarom ben ik geen

Flinke Zoutwaterkrokodil?
Verdronken hert?
Zeldzaam zeehondje!?
Utrechtse Grafkist!
Zaadblunder?
Russische Hack?
Moddermicroob?
Laadpaalklever?
Hardnekkige Darmbacterie?
Langste hangbrug van Duitsland?
Gaar stukje pompoen?
Weggestroomde stront?
Siberische poort naar de hel?
Genderneutrale alien?
Opblaasbare drijfkont?
Badderbips?
Vis zonder gezicht?
Tamelijk onbekende slak?

Liever sterf ik als ‘kroket van de maand’,
want dood gaan we allemaal toch wel,
dan aan iets -dichteronwaardigs-
als kankerkop.

Peter Knipmeijer

Toelichting: 

bijgedicht-peterk
24 mei 2017
Tegen poëzie en de literaire wereld

Prosodie?

Ik hou van metrum, rijm en harmonie
Sonnet, retour, octaaf of een kwatrijn
Ik voer ze linea recta aan mijn brein
Maar geef me nooit verbloemde poëzie

Ik word niet goed van vage woordenprak
En kwak die onzin in de vuilnisbak.

Hanny van Alphen

Tegen dichter X

Sonnet, aan den dichter J. van S.

Zo’n dichter doet mij door gedichten braken,
want waren ’t vruchten (pats! Een metafoor!)
dan noemde ik zijn hele fruitmand goor;
natuurlijk zoet zal dit sonnet weer smaken.

Neen, dat heeft met de inhoud niets te maken,
het gaat hier louter om het rijmen: hoor
je niet hoe ik in deze regels voor
prozaïsch toonloos kwaken weet te waken?

Ben jij nu zelf één van die snode snaken
die kreet op onberijmde kreet laat slaken
zodat je werk abject is aan het oor?

Behartig dan eens ongeschreven zaken,
of schreeuw vocaal je liefdes van de daken,
maar dicht om muzeswil niet langer door.

Ditmar D. Bakker

Tegen poëzie en de literaire wereld

Festina Lente

Ik weet het
ik ben een slecht verliezer

toch was het allesbehalve een matig optreden
ik slamde mij een poetry
dat het een lieve lust was
voor de zekerheid stond mijn vriend
backstage klaar om de jury
te pijpen

de jury viel wellicht niet op mijn vriend
de jury met twee donkerharige West-Friese boys
hun ruggen naar het podium
hetzij zonder draaistoel
noem ik ze toch Nick en Simon

een Kira Wuck, teder overeind gehouden
door welig verstopte wijnrekken
en de lieve Sven
die vast heel moe was
en daarom steeds
in coma sukkelde

ik slamde mij een poetry
dat het een lieve lust was
voor de zekerheid
stond ík dan maar backstage
klaar voor de jury

bleek Sven net door zijn vijfde Westmalle
Dubbel bevredigd
Nick en Simon
vonden mij te oud
en de pik van Kira
kon ik zo snel niet vinden

ondertussen
slamde ik me een poetry
dat het een lieve lust was
ik ging door naar
de tweede ronde

deed de jury zich in de finale
een mimende toneelspeler cadeau
kon ze eindelijk
vier minuten
ongestoord
doorslempen

slempte ze zich een poetry
dat het een lieve lust was

Wieke Hart